|
 Inleiding voor openingsdag opleidingsjaar 2007-2008
“Toen het artikel op papier stond, werd ik, zoals gebruikelijk, door twijfel bekropen. Is dit artikel wel goed genoeg voor een boek en hoe zal het overkomen bij de lezer? Kortom, de gebruikelijke neurotische mechanismen werden bij mij merkbaar. Met dit probleem zocht ik mijn clown op en vroeg hem om feedback. Hij wilde mijn artikel graag lezen, zei hij, en was meteen al zeer enthousiast bij het zien van al dat papier dat nota bene over hem zou gaan. Genoten had hij, zei hij toen ik hem twee dagen later ontmoette, met name van de grote en dikke letters. Die hele kleine vond hij ook wel leuk. En rioolflectie en hindezens ….. Niet te stuiten was ie. Hij keek mij stralend aan, viel meteen stil toen hij mij somber zag kijken en begon toen verwoed in mijn papieren te zoeken tot hij de tekening van de cirkels vond. "Oh ja, hier de ballen die je hebt getekend, die zijn heel mooi. En ik heb een groots idee”, riep hij geestdriftig uit. Tot mijn schrik verfrommelde hij één voor één de pagina’s van mijn artikel tot grove proppen. “Kijk, je kunt er ballen van maken en dan kun je er zo mee spelen.” Hij begon de proppen in de lucht te gooien om ze vervolgens weer op te vangen. Althans dat was, wat hij probeerde. Want met één oog keek hij voortdurend naar mij, waardoor hij slechts een enkele bal opving. “Weet je wat?” zei hij, “ik zal de ballen kleuren dan wordt het nog leuker en ….” “Sorry”, kwam ik ertussen. “Ik was vergeten dat jij natuurlijk niet de dieptes van mijn artikel kunt bevroeden. Ik had jou niet om commentaar moeten vragen. Sorry.” Even was hij de kluts kwijt, maar begon toen te stralen. “Diepte! Dat is leuk!” riep hij uit, sprong overeind en tuurde naar zijn voeten. “Da’s al heel diep. Maar”, voegde hij er samenzweerderig aan toe, “als ik mijn bril afzet, wordt het nog dieper.” Daarna tilde hij voorzichtig de varen van het stoofje dat ik als plantentafeltje gebruikte, ging er – bijziend zijnde – wiebelig op staan en zei duidelijk voldaan: “Nog dieper!” “Ik zal in het diepe springen,” gilde hij opeens opgewonden, reikte mij zijn horloge, kneep zijn neus dicht en … sprong.” Zie hier het thema van vanmorgen: Verdieping. Althans zoals het leeft voor de clown in het boek van Ernst Knijff, De therapeut als clown. Zie hier ook het kerndilemma van mijn inleiding van vanmorgen, zoals dit prachtig weerspiegeld wordt in de confrontatie tussen de serieus op zoek zijnde schrijver, die diepgang nastreeft in zijn werk en de clown, die niet zoekt, want hij heeft de diepgang al per definitie gevonden. Inderdaad was de clown niet in staat de diepere betekenis van het artikel van Ernst te begrijpen, maar hij had wel zijn eigen diepgang:
“Hoe hoger ik sta, hoe groter de verdieping!” Wat een diepzinnige wijsheid! Dames en heren, ik wil met u vanmorgen inderdaad spreken over verdieping en ik wil met u dit begrip verkennen en kijken of we een antwoord kunnen vinden op de vraag: Wat is nu eigenlijk verdieping? En wat is het niet? En daarbij komt natuurlijk meteen de vraag op: Is het überhaubt wel mogelijk om een antwoord te vinden op deze vraag? Is het mogelijk iets algemeens te zeggen over zoiets als ‘verdieping’? Ik laat deze vraag graag nog even rusten, al kan ik me heel goed voorstellen, dat er meerderen onder u zijn, die daar al een duidelijk idee over hebben. Zoals gezegd, wil ik u graag meenemen op een verkenningstocht of zoektocht rondom het begrip ‘verdieping’ en ik wil daarbij zowel de persoonlijke als de professionele verdieping aan de orde laten komen. Tevens wil ik daarbij verschillende invalshoeken gebruiken, zoals een meer filosofische, een spirituele, een wetenschappelijke en natuurlijk ook een psychotherapeutische. Deze invalshoeken zullen deels door elkaar heen lopen, maar deels wil ik ze ook meer expliciet aan de orde stellen. En steeds wil ik daarbij de vraag in gedachten houden: is dit nu verdieping of is dit eerder een poging om iets vast te grijpen wat eigenlijk niet vast te grijpen is? Maar laten we hier eerst nog even stil te staan bij de aanleiding tot dit thema voor deze openingsdag. Zoals we ook al hebben aangegeven in onze brochure voor dit nieuwe opleidingsjaar, zien wij om ons heen een duidelijke behoefte aan verdieping. Op vrijwel alle gebieden van het leven, zowel professioneel als in vragen over wereldbeschouwing of relaties zoeken mensen naar verdieping. En het aanbod aan bijscholingen, trainingen, retraites en therapieën als antwoord op die behoefte is dan ook groot. Tegelijkertijd zien we echter ook onmiskenbaar een trend om niet te veel tijd te investeren in de verdieping. Verdiepen is namelijk stilstaan en stilstaan is de vijand van de klok. Het dilemma van enerzijds behoefte aan verdieping en anderzijds het niet kunnen stilstaan als de tegenpool er van. Vanuit deze constatering rees ook bij ons als staf de vraag: wat houdt voor ons verdieping in? Hoe willen wij bezig zijn met verdieping en hoe kunnen wij mensen middels onze opleidingen of workshops ondersteunen in hun zoektocht naar verdieping? Want één ding was en is voor ons duidelijk: wij willen niet mee gaan in de trend van kort, snel en vluchtig, de trend van de zogenaamde instant-pudding cultuur. Poeder in de melk, drie keer kloppen en de pudding is klaar. Wij willen graag verdieping bieden. Vandaar onze behoefte om ook vandaag eens rustig stil te staan bij dit thema. DefinitieIk wil u nu graag stilstaan bij een definitie van het woord ‘verdieping’, want op zich zit in deze definitie van het begrip al een grappige symboliek. Ik kwam twee betekenissen tegen: - het verdiepen
- een der boven elkaar liggende gedeelten van een bouwwerk.
Kijk ik dan nog even bij ‘verdiepen’, dan lees ik: “dieper maken, (fig.) grondiger maken, meer diepgaand beschouwen, zich verdiepen als er diep over nadenken, er geheel in opgaan.” Nou, met dat laatste zijn we vandaag wel even bezig, maar laten we nog even naar die tweede betekenis kijken. Waarom heet een verdieping niet een verhoging? Het gaat toch om een bouwlaag die ergens bovenop gebouwd wordt? Kijken we in het Etymologisch woordenboek van Van Dale, dan wordt daar beschreven dat het woord verdieping verwijst naar een wijziging in de bouw van het koopmanshuis; om ruimte te winnen kwam de neerkamer beneden het grondniveau, de ‘entresol’. Van oorsprong was een verdieping dus ook letterlijk een verdieping. Tegenwoordig is een verdieping eerder een verhoging. Laat me dat nog eens herhalen: “Van oorsprong was een verdieping dus ook letterlijk een verdieping. Tegenwoordig is een verdieping eerder een verhoging.” Dat is wel een grappige. Wie had dat gedacht? Dat de clown in het boek van Ernst wel degelijk gelijk had! Door hoger te gaan staan, creëerde hij juist verdieping? Jammer, dat Ernst deze prachtige diepzinnigheid van de clown, die nu dus ook onderschreven wordt door Van Dale niet begrepen heeft en bleef hangen in zijn teleurstelling. Maar misschien mogen we deze tekst uit Van Dale ook meer symbolisch oppakken: Wordt hier niet in één zin weergegeven waar we vandaag de dag nogal eens tegen aanlopen als we kijken naar de vele vormen van verdieping? Een veelheid aan vormen en mogelijkheden tot verdieping die uiteindelijk alleen maar leiden tot een steeds groter wordende oppervlakkigheid, een steeds groter wordend gemeengoed van kretologieën, waar de diepgang, de bezieling uit verdwenen is? Mag ik hier even Krishnamurti citeren, die al in 1936 de volgende woorden sprak: “Als je religieus bent, wat zoveel betekent als geconditioneerd door geloof en dogma’s, is je verdere leven één opstapeling van problemen. Alleen een onbevangen geest en werkelijke intelligentie zijn in staat het leven in zijn volheid te aanschouwen. Velen van jullie zoeken altijd weer naar antwoorden vanuit je geconditioneerdheid en traditie. Als Hindoe poog je het leven te verstaan middels de specifieke waarden, oordelen en tradities van het Hindoeïsme. Als je Boeddhist, Christen, socialist, of atheïst bent, ervaar je het leven vanuit die bepaaldheid. Een geconditioneerde, dus beperkte waarneming is absoluut niet in staat de beweging van het leven te begrijpen.” Met andere woorden: zijn we in onze zoektocht naar verdieping niet vaak bij voorbaat al geconditioneerd door onze aannames en overtuigingen. Zijn we in die zoektocht soms niet als de mensen in het huis van Escher, die de trap aflopen, verdieping zoeken, maar uiteindelijk toch weer boven uitkomen of omgekeerd.
Is het wellicht, zoals ook John Kabat Zinn in zijn boek Waar je ook heen gaat, daar ben je, weergeeft, dat we het risico lopen in al ons streven naar verdieping, dat we hetgeen we zo zeer nastreven, juist niet bereiken, juist missen door al ons nastreven. Letterlijk geeft hij als voorbeeld rond de trap oplopen: “Zo ontdek ik dat ik vaak wordt gedreven door mijn behoefte ergens anders te zijn, door wat ik denk dat vervolgens moet gebeuren, door de plaats waar ik naar mijn idee aanwezig moet zijn. Wanneer ik mezelf erop betrap dat ik – gewoonlijk met twee treden tegelijk – de trap op vlieg, heb ik soms de tegenwoordigheid van geest mezelf in volle vaart een halt toe te roepen. Ik word me er dan van bewust < …. > dat ik word gedreven door een of ander dringend doel, dat ik vaak alweer ben vergeten als ik eenmaal boven ben aangeland.” Of zoals wij zelf ook in onze brochure aangaven: “Het dilemma van enerzijds de behoefte tot het ontmoeten van de ‘leegte’ die nodig is om te komen tot verdieping en vernieuwing en anderzijds het gegeven dat als ik vanuit deze behoefte aan verdieping ‘leegte’ ga zoeken, er zeer waarschijnlijk geen ruimte voor leegte ontstaan zal.” Zoals de geciteerde Zen-tekst het verwoordt: “Wie tracht tot rust te komen door de beweging stil te zetten, zal onverminderd een bron van rusteloosheid blijven. Zolang je één deel van de tegendelen kiest, zal de ervaring van het geheel je nooit ten deel vallen” Daarmee zijn we direct al aangeland bij het dilemma of is het een ‘paradox’? Dat is trouwens iets dat mij enorm aanspreekt in de gestaltbenadering: het leren leven met dilemma’s en ze kunnen zien als paradoxen. Ook in het verkennen van het thema Verdieping en de dilemma’s die ik daarin tegenkom, wil ik proberen deze dilemma’s te benaderen als paradoxen. Want wat is nu de essentie van Verdieping? Gaat het erom dat we iets nastreven of beoefenen of gaat het erom dat we juist openstaan voor wat op ons pad is en komt? Waar dienen we na te streven en waar kunnen we rusten in de stroom? Enkele jaren geleden kreeg ik van een goede vriend van me een boek met als ondertitel: Werken aan jezelf of juist niet? Een boeiende vraag, die mij al jaren bezig houdt. Is het inderdaad zo, dat we meer diepgang in ons leven bereiken door hard te werken aan ons zelf of is het juist zaak stil te staan bij wie we zijn en dat onder ogen te zien? Kunnen we inderdaad meer verdieping bereiken door gedisciplineerd te oefenen, door ons best te doen of is het juist de opgave om open te staan, te rusten in de stroom van het leven? Perls was daar altijd zeer helder over met zijn twee bekende uitspraken: “Don’t push the river” en “Don’t try to become someone. Just be who you are.” Toch blijf ik stoeien met die vraag: waar dienen we na te streven en waar kunnen we juist rusten? In het omgaan met deze vraag, dit dilemma in mijn leven is het boek Siddhartha van Herman Hesse meermalen een enorme steun voor me geweest. Ik heb het dan ook al minstens 20 keer gelezen. Jarenlang ging er geen vakantie voorbij of ik nam dit boek weer mee om het nog eens te lezen. Voor mij is de kern van dit boek dat Siddhartha in zijn leven vele omzwervingen maakt, die variëren van het streng nastreven van verdieping als asceet tot het juist weer volledig opgaan in het volle leven, in een zeer materialistisch leven zelfs. En soms lijkt het of al deze omzwervingen verloren tijd zijn geweest, maar uiteindelijk brengen deze omzwervingen hem ook tot zijn bestemming. Een prachtige, ontroerende passage vind ik dan ook het moment waarop Siddhartha samen met Vasudeva naar de stroom luistert en in de stroom al zijn ervaringen terug ziet en hoort en al deze beelden en geluiden samenvallen in dat ene woord Om. Hesse schrijft dan: “Op dit ogenblik hield Siddhartha op, om met het noodlot te vechten, hield hij op met lijden. Zijn gezicht bloeide op in het verlicht besef van dat weten, dat vrij is van driften en drijfveer, dat de voleinding kent, dat in harmonie is met de stroom van wat gebeurt, met de levensstroom.”
Ik weet niet hoe het voor u is, maar als ik deze passage lees, dan voel ik in mij het verlangen groeien naar deze rust, het verlangen naar zo’n moment van verdieping waar het streven ophoudt. En tegelijkertijd ben ik me er bewust van, dat in dit verlangen alweer het nastreven aanwezig is. Wanneer we John Kabat Zinn mogen geloven, hoeven we deze rust, deze verdieping niet ver te zoeken: daar waar we ook gaan, daar zijn we. Het vraagt slechts om stil te staan. Om gewaar zijn. De verdieping ligt als het ware aan onze voeten en we hoeven het slechts te zien. Feitelijk zijn we als iemand, die midden in zee staat en op zoek is naar water. Of wellicht zijn we – zoals David Cooper het beschrijft in zijn boek Het hart van de berg – als de vlieg die steeds maar tegen het glas van het raam op vliegt om buiten te komen, terwijl net even naar links er een raam openstaat of wellicht achter hem de hele schuifpui open staat. Mag ik u weer even vragen, een moment te nemen voor reflectie: hoe hard bent u bezig met op zoek te zijn naar verdieping? Hoe ligt voor u de balans tussen zoeken, beoefenen en nastreven en rusten in de stroom, durven vertrouwen op wat er op uw pad komt?Neem even een moment om dat voor u zelf na te gaan. Straks krijgt u de gelegenheid om er uitgebreider met elkaar over van gedachten te wisselen. Afgelopen zomer was ik met mijn lief in Suriname en hebben we ook verschillende wandelingen in het regenwoud gemaakt. Feitelijk speelde ook hier een vergelijkbaar thema: nastreven of open staan. Onze gids, Donavan vertelde ons dat hij nogal eens had meegemaakt dat de dieren zich vaak niet lieten zien als iedereen er heel erg op gebrand was ze te zien, maar dat ze vaak juist te voorschijn kwamen als je er totaal niet op bedacht was. En inderdaad had ik zelf laatst ook die ervaring in de Spaanse Pyreneeën, dat ik geheel onverwachts ineens oog in oog stond met een wild varken met twee jongen en even later met een stel gemzen, terwijl ik ook de ervaring ken, dat ik een hele dag aan het wandelen ben in de hoop iets tegen te komen en dan ’s avonds in de berghut aankom zonder ook maar één dier te zijn tegengekomen. Dit thema, deze vraag van nastreven van verdieping of juist rusten, open staan, blijft mij boeien en ik wil er dan ook graag nog even bij stil blijven staan. Een moment waarin ik zelf bij voorbeeld een mooie ervaring van rust en verdieping had, was ook een onverwacht moment tijdens een wandeling door de Zeeuwse polders. Voor hen die dat niet weten: ik ben afkomstig uit Zeeland en heb daar de eerste 20 jaar van mijn leven doorgebracht. Terwijl ik over een dijk liep en uitkeek over het omgeploegde land, zag ik de zware brokken klei liggen en realiseerde ik me ineens heel sterk: “Hier kom ik vandaan. Hier liggen mijn wortels. Op deze zware klei ben ik opgegroeid.” Deze gedachte gaf me een enorme rust en vertrouwen en het was goed om me te realiseren, dat de zwaarte van de Zeeuwse klei ook deel is van mijn bestaan. Het gaf me ook een gevoel van stevigheid.
Toen ik even verderop op de weg voor mij een slak zag kruipen, kwam er een andere verdiepende, rustgevende gedachte in mij op, namelijk: “Als een slak had moeten kunnen rennen of fietsen, dan had Onze Lieve Heer hem vast wel anders gebouwd!”
Deze beide gedachten brachten me een moment van verdieping. Het was een moment, waarin ik mij diep verbonden voelde met mijn wortels, maar ook diep verbonden voelde met mijn gegevenheid in dit bestaan. Als ik dan nu zo bezig ben met het thema Verdieping, vraag ik mij af, of dit nu de momenten zijn waar het om gaat bij verdieping: gaat het er om dat we ons verbonden weten met onze gegevenheid en rust ervaren in het moment dat er is? Is verdieping “just being who you are”? Maar als het slechts “just being who you are” is, loop ik dan niet het risico te verdwalen in het alledaagse, op te gaan in de gekte van alle dag. Ga ik dan niet – zoals Kabat Zinn het noemt – slapend door het leven? Word ik uiteindelijk niet verschrikkelijk oppervlakkig als ik alleen maar van moment naar moment leef zonder enig verder doel na te streven? Is dat de diepere betekenis van het leven? Is dat de diepgang die we na zouden moeten streven: als een sprinkhaan van moment naar moment springen, even rusten om daarna weer verder te springen naar het volgende hier en nu moment? Bruno Paul de Roeck schrijft in de Loernoot: “Ik denk dat geestesverruiming voor ons allen open ligt. Als we ogen willen hebben voor het wonder van de dagelijkse dingen.” En even verderop: “Mystiek is voor mij aandacht, niet voor de verre waaroms, maar voor de levende wortels van dingen en mensen vlakbij.” “Ik denk dat Gestalt wijst naar de stroom van het ‘geheimvolle’ gewone leven. Daar gebeurt de schepping.” Dus toch het gewone leven leven. Is Bruno’s antwoord niet hetzelfde als het antwoord dat de verlichte meester gaf aan zijn leerling toen deze hem vroeg hoe hij verlichting kon bereiken: Zijn simpele antwoord was: “Door te eten en te poepen!” Toen de leerling verbaasd en verontwaardigd reageerde, dat toch iedereen dat deed, sprak de meester: “Er zijn slechts weinig mensen die eten als ze eten en poepen als ze poepen.” Maar ook John Kabat Zinn schrijft in zijn boek: “Men denkt wel eens dat meditatie een bijzondere activiteit is, maar dat is niet helemaal juist. Meditatie is de eenvoud zelf. Het gaat over stilstaan en aanwezig zijn.” “Meditatie is niets anders dan het beoefenen van niet-handelen. Het heeft alles te maken met het huidige moment in zijn volheid te omvatten.” Zo simpel kan het toch niet zijn? Het kan toch niet zo zijn, dat we juist de verdieping, de diepgang bereiken door gewoon te doen wat we elke dag doen, door feitelijk alleen maar aan de oppervlakte te blijven? Zelfs de clown in het boek van Ernst nam nog de moeite om op een krukje te gaan staan! Het is trouwens wel grappig, dat mijn collega Greet tot een zelfde verzuchting komt in een artikel van haar uit 1998 Op weg naar de Godin: “Ik hoef nergens meer naartoe, ik ben er al; ook met dit vechten, ook met dit zoeken. Als ik dit in zijn volheid toelaat, dreig ik even knettergek te worden. ‘Ik moet toch nog ….’, ‘Ik ben toch nog niet ….’, ‘Zo eenvoudig kan het toch niet zijn?’ Dit beneemt me de adem. Deze gedachte is èn opwindend èn ondraaglijk.” Waarom doen we dan namelijk allemaal zo moeilijk? Waarom zitten we onszelf dan zo in de weg met al dat streven en zoeken? Zijn we dus eigenlijk niet allemaal druk bezig onze eigen verdieping in de weg te staan door al dat nastreven? Mag ik u weer even de vraag voorleggen: In hoeverre staat u zichzelf, staat u uw eigen verdieping in de weg? Hoe voorkomt u zelf dat u enige diepgang ervaart in uw leven? Of ervaart u juist dat het nastreven wel uw weg is? Neemt u weer even een moment voor reflectie. Deze vraag rond nastreven of open staan blijft me boeien en fascineren: want als het inderdaad zo is, dat de verdieping vooral ligt in het open staan, hoe zit het dan met het creëren? Hoe zit het dan met al die ideeën over, dat we onze eigen wereld, ons eigen succes kunnen creëren als we maar echt willen? Hoe zit het dan met die Celestijnse belofte, die mij destijds beloofde dat ik in 10 stappen tot succes zou komen? Hoe zit het dan met al die ideeën dat onze eigen gedachten onze werkelijkheid creëren? Hoe zit het dan met de ideeën vanuit de Kwantumfysica? Dit is misschien even een grote overstap en ik weet niet of u op de hoogte bent met deze waanzinnig boeiende ontwikkelingen in de wereld van de natuurwetenschappen, maar ik vind het enorm interessant wat op dit niveau bestudeerd, ontdekt en besproken wordt. Met name het onderscheid tussen de materiële en immateriële wereld wordt binnen de Kwantumfysica flink onderuit gehaald. Neem b.v. het onderzoek van de Japanse professor, dr. Masaru Emoto, die enorme ontdekkingen heeft gedaan op het gebied van de invloed die mensen met hun gedachten of gevoelens, maar ook met muziek hebben op de vorming van waterkristallen. Met prachtige foto’s toont hij aan, hoe waterkristallen veranderen van vorm onder invloed van muziek en onder invloed van bepaalde emoties in de nabijheid van dit water. Natuurlijk worden zijn bevindingen niet alom geaccepteerd, maar indien het waar is wat hij en anderen veronderstellen over de invloed van het immateriële op de materie en omgekeerd, gaat er wel een heel nieuwe wereld voor ons open.
Waarom ik dit hier noem, is juist omdat deze ideeën onderschrijven dat het nastreven van wensen, ideeën of overtuigingen wel degelijk een invloed kan hebben op wat wij als onveranderlijke realiteit ervaren. In de documentaire What the bleeb do we know? stelt Fred Alan Wolf het heel mooi: “What I thought that was unreal, now – for me – seems to be more real than what I thought to be real, which now seems to be more unreal.” Misschien heeft u ook wat moeite met deze ideeën en tart ik nu de grenzen van uw bereidheid tot mentale verdieping. Misschien voelt u zich nu ook wel een Flatlander, een wezen uit de tweedimensionale wereld, die wordt geconfronteerd met iemand uit de driedimensionale wereld. Fascinerend; vindt u niet? Als ik hier over doordenk, die verschillende dimensies, dan kan ik me zo afvragen: hoe zou een vierde of een vijfde dimensie zijn? Gaat u even met me mee: - De 0e dimensie is de punt
- De 1e dimensie is een lijn begrensd door punten
- De 2e dimensie is een vlak begrensd door lijnen
- De 3e dimensie is een ruimte begrensd door vlakken
Dat betekent haast dat een 4e dimensie iets moet zijn begrensd door ruimten. Kunt u het zich voorstellen? En een vijfde dimensie wellicht iets dat begrensd wordt door zo’n 4e dimensie. Rudy Rucker, een Amerikaanse wiskundige heeft hier al menige studie aan gewijd en heeft deze poging ondernomen om de 4e dimensie in beeld te brengen, wat natuurlijk slechts een fictie is, maar desalniettemin …. Ik vind dat waanzinnig boeiend. Welke werelden bestaan er nog waar wij ons nauwelijks of wellicht volkomen onjuiste voorstellingen van maken? Hoever kunnen wij nog reiken in onze zoektochten, onze verkenningstochten? Hoever kunnen we komen als we nog verder gaan in het nastreven van onze verdieping?
Kortom dit brengt mij tot de conclusie, dat naast het open staan als vorm van verdieping, ook het nastreven een belangrijke vorm kan zijn. Feitelijk zouden we dus kunnen spreken van twee vormen van verdieping die gelijkwaardig naast elkaar bestaan en duidelijk met elkaar verbonden zijn: - een meer ontvangende vorm, waarbij rust en openheid voorop staan, waarbij we ons deel weten van en zich ontvouwende realiteit met een – zoals David Bohm, ook een Kwantumfysicus het noemt – een eigen impliciete orde
- een meer actieve vorm, waarbij het nastreven en beoefenen voorop staan en we ons als medeschepper van onze eigen realiteit ervaren.
Waar dus mogelijk voor de één het openstaan en rust nemen vooral de weg is tot verdieping, ligt voor de ander wellicht veel meer de weg in het gedisciplineerd beoefenen van een traditie. En voor een derde ligt het juist in het samengaan van beide wegen. Zoals Martin Buber het stelt in De weg van de mens: “ Alle mensen hebben toegang tot God, maar ieder heeft een andere. Juist in de verscheidenheid der mensen, in de verscheidenheid van hun aanleg en hun neigingen, ligt de grote mogelijkheid voor het mensdom. Gods alomvattend Wezen openbaart zich in de oneindige veelheid van wegen die tot Hem voeren, waarvan elke voor de mens openstaat.” Of zoals Ken Wilber het beschrijft in De beknopte geschiedenis van Alles: “Eén van de grote opgaven van de spiritualiteit (lees hier ‘verdieping’) in de postmoderne wereld is de mannelijk georiënteerde spiritualiteit aan te vullen en in evenwicht te brengen met de overeenkomstige vrouwelijke vormen.” Prachtig, hoe mijn dilemma rond de polariteit open staan vs. nastreven zich laat verheffen tot een paradox. Dat vind ik nu weer zo’n mooi moment van verdieping. Waar ik tot nu toe vooral over gesproken heb, is de vraag rond verdieping in ons persoonlijk leven. Hoe zijn we in ons persoonlijk leven met verdieping bezig? Ik wil nu graag een overstap maken naar de tweede vorm van verdieping, namelijk de professionele verdieping en daar enkele woorden over zeggen, want ook in ons professionele leven streven we verdieping na. Wat houdt verdieping hier in en hoe zijn we er hier vaak mee bezig? Natuurlijk geldt wat ik hiervoor met betrekking tot de persoonlijke verdieping gezegd heb, ook voor een groot deel voor onze professionele verdieping, maar ik zou hier toch graag nog wat explicieter bij stil willen staan. Ik wil hierbij voor het overzichtelijke een onderscheiding maken in drie gebieden, waar deze professionele verdieping plaatsvindt. Hoewel deze drie gebieden sterk samenhangen en elkaar ook deels overlappen, kunnen we toch een onderscheid maken in: Laat ik beginnen bij de verdieping van onze kennis en hoe deze verdieping in de loop der eeuwen vorm heeft gekregen. Oorspronkelijk vond het verwerven van kennis feitelijk plaats als een onderdeel van het gewone leven: leren via kijken en doen. Kennis was vooral praktische kennis die van vader op zoon en moeder op dochter en later van vakman op leerling in het samen ergens mee bezig zijn, werd over gedragen. Deze kennis was in het begin per definitie ecologisch en ook dialogisch. Er bestond geen enkele twijfel aan of discussie over het al of niet samengaan van mens en natuur. In haar boek Ongebroken beschrijft de Afrikaanse Nobelprijswinnares Wangari Maathai hoe zij als klein kind met haar moeder mee ging naar het veld en zo leerde: “Ik keek goed naar wat mijn moeder deed als ze aan het werk was. Zij leerde mij hoe ik gewassen moest planten en verzorgen. Als het regende zei ze: “Je mag niet niksen als het regent, dan moet je planten zetten.” “Als kind luisterde ik ook graag naar de vogels. Eén vogel zong altijd in de avondschemering en het klonk als “ikia ngu, ikia ngu”, wat zoveel betekent als “gooi het brandhout er maar op”. Mijn moeder legde me uit, dat deze vogel ons waarschuwde dat het donker begon te worden en het tijd werd om met het brandhout naar huis te gaan.” Ook in Suriname heb ik deze zomer kunnen zien hoeveel kennis mensen als kind hebben opgedaan door met hun vader of moeder naar het land of in het woud te gaan. Kennisoverdracht en verdieping geschiedden ook in deze cultuur veelal middels mee doen en mondelinge overlevering, verhalen. De wijsheid die in dergelijke culturen aanwezig is, is veelal diepgaander dan wij ons hier in het gecultiveerde Europa vaak voor kunnen stellen. Mag ik als illustratie dit bekertje tonen. Een eenvoudig uit hout gesneden bekertje, afkomstig van een speciale geneeskrachtige boom. De ervaring heeft uitgewezen, dat het drinken van water dat eerst een tijdje in dit bekertje heeft gestaan en daardoor de geneeskrachtige werking van het hout in zich heeft opgenomen, goed is tegen verschillende kwalen. Veel indianen drinken maandelijks een bekertje om zich te beschermen tegen ziekten. In de loop der tijd heeft kennis zich ontwikkeld van een pure praktijkkennis in de richting van meer en meer reflectie op de praktijk, een afstand nemen en nadenken over, met als resultaat een zich ontwikkelende theorievorming. In eerste instantie was die theorievorming hier in het westen voorbehouden aan de kerk; zij pretendeerden immers de wijsheid in pacht te hebben en verboden anderen lange tijd om zelf onderzoek te doen. Denkt u nog even terug aan wat de Flatlander van zo-even zei: “Niet over praten! Dat is ten strengste verboden.” Later zien we hier een verandering in komen en gaan de mensen wel zelf op onderzoek uit, al worden hun bevindingen zeker in het begin niet in dank afgenomen. Hun uitkomsten halen immers menig grote zekerheid onderuit, zoals de bewering dat de aarde plat is of het middelpunt van het heelal enz. De theoretische verdieping is echter verder gegaan en heeft ons zeer veel gebracht, maar tegelijkertijd kunnen we zien dat deze theorievorming, de wetenschap wel een nieuw soort geloof is geworden. Waar vroeger de priester zei: “Geloof me maar, ik weet hoe het in elkaar steekt. Ik heb het gezag, om te zeggen hoe het is” heeft de wetenschap deze positie overgenomen en wordt nu door de wetenschap geregeld geroepen: “Het is een wetenschappelijk feit dat …..” En evenals vroeger velen de priesters nakraaiden, kraaien nu velen de wetenschap na. “Want uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat ………” Is dit verdieping?Draagt deze vorm van kennisontwikkeling bij aan onze professionele verdieping? Ik zou willen zeggen: “Ja en nee.” Ja, want we weten meer. We hebben meer weet van processen en hoe deze verstoord kunnen raken en ook hoe we deze verstoringen kunnen voorkomen of beïnvloeden. En dat geldt dan zowel voor processen in technische zin als voor sociale processen of de processen die zich in ons eigen lichaam of in de natuur voordoen. Maar er is ook een ‘Nee’, want binnen de wetenschap is een nieuw soort dogmatisme gaan ontstaan, wellicht zelfs een soort arrogantie over b.v. de vraag wat wel of niet wetenschappelijk is en daarmee zelfs voor een deel: wat wel of niet realiteit is. Een duidelijk voorbeeld hiervan vind ik onze gezondheidszorg en de ideeën die daarbinnen gehanteerd worden over gezondheid en ziekte. Hierin wordt – zeker in het Westen – nogal eens zeer arrogant en minachtend neergekeken op bv. natuurgeneeswijzen of wat we hier in het algemeen benoemen als alternatieve geneeswijzen. Denkt u weer even terug aan mijn bekertje. En natuurlijk, ik zal de laatste zijn om te bestrijden dat er inderdaad soms de meest baarlijke onzin verkocht wordt onder het mom van alternatieve geneeswijzen, maar ik vind het op z’n zachts gezegd arrogant, dat een wetenschap die voor een groot deel gebaseerd is op een kokervisie: namelijk op microscopisch onderzoek in een laboratorium met proefdieren, de kennis en wijsheid die gedurende duizenden jaren vergaard en opgebouwd is en altijd onderdeel is geweest van het totale leven afdoet als ‘onzin’ of ‘broodje aap verhaal’etc. In dit opzicht leidt kennisvergaring in mijn ogen niet tot professionele verdieping, maar eerder tot een professionele oppervlakkigheid, tot intellectuele armoede. Dit zelfde geldt eigenlijk voor de ontwikkeling van de ‘kunde’, de ontwikkeling in onze vaardigheden, het tweede gebied van professionele verdieping. Ook daarin hebben we een ontwikkeling gezien van leren door afkijken, nadoen en meedoen als deel van het leven naar een situatie waarin het leren van vaardigheden steeds meer in scholen plaatsvond. Scholen die steeds meer afstand tot de dagelijkse praktijk kregen. Voor een deel logisch want de ontwikkelingen in de techniek vragen om meer scholing en stellen hogere eisen aan onze vaardigheden, maar deels heeft deze ontwikkeling ook geleid tot een verwijdering. Waar oorspronkelijk de kunde een levenskunst was, onderdeel van het totale leven en daarmee ecologisch oftewel in balans met de omgeving, leidde deze verwijdering vaak ook tot een objectivering. De wereld om ons heen werd tot object van ons handelen gemaakt met alle gevolgen van dien.
Mag ik Wangari nog eens citeren: “Rond deze tijd gebeurde er iets ingrijpend in het voorheen onaangetaste Aberdarebos. De koloniale overheid had besloten het woud binnen te dringen en daar commerciële plantages van uitheemse boomsoorten aan te leggen. Ik herinner me nog de enorme kampvuren toen de oorspronkelijke bossen werden opgestookt. <…> De uitheemse bomen veroorzaakten echter ook schade. Inheemse planten en dieren verdwenen en het natuurlijk ecosysteem waarin regenwater werd verzameld en vastgehouden, raakte verstoord. Als het regende stroomde een groot deel van het water weg en in de daaropvolgende jaren daalde het grondwaterpeil enorm.” Een ander citaat. In dit geval uit het boek Presence van Peter Senge en anderen, waarin een hoge functionaris van de Verenigde Naties aan het woord komt: “Ik heb met veel problemen over de hele wereld te maken gehad en ik ben tot de slotsom gekomen dat er maar één echt groot probleem bestaat: in de loop van de afgelopen honderd jaar heeft de technologie ons een macht gegeven, die veel verder reikt dan iemand ooit in zijn stoutste dromen had durven bedenken, maar onze wijsheid is daarbij achter gebleven. Als de kloof tussen onze technologie en onze wijsheid niet snel wordt overbrugd, heb ik maar weinig hoop voor onze vooruitzichten.” In beide situaties zien we dus enerzijds een verdieping van onze kunde, een bijdrage aan onze professionele verdieping, maar tegelijkertijd ook een toename van oppervlakkigheid en de gevolgen, die daar uit voortvloeien. Als we nu naar het derde gebied van de professionele verdieping kijken, het gebied van de attitude, dan zal het u niet verbazen dat we parallel aan de ontwikkelingen in kennis en kunde, waar objectivering een steeds grotere rol is gaan spelen, ook op het gebied van de attitude een vergelijkbare ontwikkeling zien. Ongeacht welk beroep of welk werkveld, komen we voorbeelden tegen van een verschraling of achteruitgang in de attitude van de medewerkers (inclusief het management) naar de cliënt of klant. Daar waar de objectivering de overhand krijgt, leidt dit onherroepelijk tot een afstandelijke, soms zelfs onmenselijke attitude naar de cliënt of klant. Mag ik een voorbeeld geven vanuit ons eigen vakgebied, de begeleiding van mensen met psychische problemen. Het voorbeeld betreft een vriend van mij die een aantal jaren geleden volkomen in de war geraakt is ten gevolgen van een manisch depressieve psychose die mede versterkt werd door het veelvuldig gebruiken van middelen als pado’s, marihuana e.d. Gedurende de afgelopen jaren is het bij hem steeds een afwisseling geweest van betere periodes en periodes waarin hij volkomen psychotisch was en opname op een psychiatrische afdeling noodzakelijk was. Daarbij is hij geregeld opgenomen in een bepaalde psychiatrische kliniek in Luxemburg en tijdens al zijn opnames daar, is het hem geen enkele maal gelukt een gesprek te krijgen met zijn behandelend psychiater, dat langer mocht duren dan pakweg 5 tot 10 minuten. Op geen enkele wijze heeft het personeel persoonlijke belangstelling getoond of hem gesteund in zijn ziekte. Het verstrekken van medicatie was kennelijk het enige ‘contact-mechanisme’ dat de medewerkers ter beschikking stond. In zijn boek Der unaufhaltsame Fall des Dr. Spacecake beschrijft hij zijn ervaring in deze kliniek als volgt: “Mein aufenthalt in Bruckhausen verlief genau so, wie erwartet. Die Betreuungsqualität war auf allerniedrigstem Niveau, ja eigentlich skandalös. Der Stationsstütspunkt wirkte wie eine Festung, in der sich das Personal vor den Patienten verbarg, alsob es sich um gefährliche Verbrecher handelte. < ... > Es gab keinerlei therapeutische Aktivitäten, weder Gruppen noch einzelgesprächen. Selbst meinen Psychiater hatte Ich nach drei Tagen noch nicht zu Gesicht bekommen. Ich musste jedoch seine Psychopharmaka schlucken. < ... > Langsam begann Ich zu verstehen. Dies hier war keine Klinik, sondern ein gefängnis für Bekloppte.“ In dit voorbeeld zien we hoezeer objectivering geleid heeft tot een verschraling van de attitude. Tot een afstandelijkheid, die haast onmenselijke vormen aanneemt. Gelukkig zien we tendensen, pogingen om hierin verandering te brengen. Ook binnen deze kliniek trouwens, waar ik zelf een bijdrage aan de ontwikkeling mag leveren. Pogingen om tot een vernieuwde professionele verdieping te komen, waarbij men juist de attitude van de werkers hoopt te beïnvloeden in de richting van een meer persoonsgerichte benadering, pogingen om de kwaliteit van zorg te verbeteren. Ik stel echter ook hierbij wel de vraag of al deze aandacht voor kwaliteit en al deze vormen van kwaliteitsbeleid of kwaliteitsmanagement werkelijk tot professionele verdieping zullen leiden. Ik wil hier vandaag niet al te uitgebreid op ingaan, maar toch kort een paar kanttekeningen bij deze vorm van professionele verdieping, deze vorm van kwaliteitsdenken, aangezien we ook binnen de gestaltwereld daarmee bezig zijn. Binnen de NVAGT en de EAGT hebben we de afgelopen jaren een duidelijke tendens gezien om de kwaliteit van de gestalttherapie te verhogen en te waarborgen. De opleidingseisen zijn opgeschroefd en ook de eisen ten aanzien van permanente educatie en professionele ontwikkeling voor afgestudeerde therapeuten zijn scherper geformuleerd. Velen van ons hebben daarmee al te kampen gehad bij hun registratie of herregistratie en voor velen van u zal dat zeker ook in de toekomst gaan spelen. En ik denk, dat dit enerzijds ook een goede ontwikkeling is. Als we als gestalttherapeuten serieus genomen willen worden in het veld van de psychotherapie, vraagt dat van ons ook dat we in de eerste plaats onszelf en onze beroepsuitoefening serieus nemen en dat betekent o.a. richtlijnen voor kwaliteit. Tegelijkertijd zie ik hierin ook een gevaar, namelijk dat we ons zo blind staren op regels en voorschriften dat daarmee het eigene van de gestalttherapie verloren gaat. En ik spreek dan niet zo zeer over het anarchistische karakter van de gestalt, waar sommigen zich zo graag achter verschuilen, maar over het fenomeen dat wezenlijke kwaliteit zich moeilijk laat beschrijven in regels maar eigenlijk pas vorm krijgt in de relatie. Onlangs mocht ik in Luxemburg een lezing houden over kwaliteitsmanagement in de gezondheidszorg en ik ben zo vrij geweest om daar de stelling aan te gaan, dat veel kwaliteitsmanagement eigenlijk alleen maar angstmanagement is. Angst voor een ministerie of de inspectie, voor zorgverzekeraars en natuurlijk ook angst voor familieleden of voor de pers. Men probeert zichzelf in te dekken om toch maar vooral geen problemen op de hals te halen. Ik ken bv. instellingen die alles zeer precies beschreven hebben: de kwaliteit van de behandelingen, de faciliteiten, de componenten van de maaltijden tot aan de temperatuur van de maaltijden aan toe. Kwaliteitshandboeken zo dik als de bijbel en met hetzelfde gezag. Maar heeft dat in die instellingen wezenlijk wat veranderd aan de basis, heeft het geleid tot een verbetering of verdieping van de kwaliteit in het directe contact met de cliënt? Ik heb er grote vraagtekens bij. Mijn stelling is, dat kwaliteit een dialogisch gebeuren is en alleen vorm kan krijgen binnen de relatie. Elke poging om kwaliteit kwantitatief te beschrijven is gedoemd te mislukken als daarbij het dialogische karakter niet mee gewogen wordt. Vandaar ook mijn zorg binnen de gestaltwereld, dat we mogelijk ook daar te zeer gericht zullen zijn op mee mogen doen, op zekerheid en veilig stellen, dat we wellicht daarmee ook de ziel van de gestalt, het dialogische karakter zullen gaan verliezen. Kortom, als ik kijk naar de professionele verdieping zie ik ook daar de twee polen die we zo-even al zagen: het nastreven en het open staan. Nastreven in de betekenis van steeds meer en steeds gedetailleerder proberen te beschrijven van de professionele praktijk in de hoop deze zo beter in de greep te krijgen en daarmee meer professionele verdieping te bereiken met als risico, dat het kan ontsporen en dan zal leiden tot objectivering, verschraling, oppervlakkigheid en een heerschappij van meetinstrumenten. Open staan in de betekenis van het pogen van binnenuit de professie te verdiepen door middel van met elkaar stil te staan bij de praktijk en het uitwisselen van gewaar zijn in supervisie, intervisie, kwaliteitscirkels ed., kortom door de dialoog aan te gaan met elkaar met natuurlijk het risico dat we blijven uitwisselen en niets nieuws tot stand komt. Opnieuw gaat het om het samengaan van beide polen. Laten we nu aan het slot van deze inleiding nog even stilstaan bij de vraag, wat het effect is van deze twee polen op ons werken met cliënten of klanten. Wat is het effect van mijn eigen visie en houding ten opzichte van persoonlijke en professionele verdieping en van mijn eigen stijl van verdieping zoeken op mijn werken met cliënten en klanten? Stel, ik ben iemand die de verdieping vooral vindt in het nastreven, in het beoefenen, in discipline, schuilt daar dan niet het risico in, dat ik impliciet ook van mijn cliënten of klanten verlang dat zij ook ergens naar toe werken, iets nastreven? Heb ik dan wellicht toch al niet snel beelden of ideeën bij mijn cliënten of klanten over wat goed voor hen zou zijn, welke richting ze op zouden moeten gaan? In hoeverre is er dan nog sprake van of ruimte voor dat prachtige basisprincipe van de gestalt: “Be who you are!” of “Becoming more aware of who you are!”? Is er niet het risico dat ik impliciet deze waarde en wellicht zelfs deze norm opleg aan mijn cliënten en klanten? Ik laat het antwoord graag aan u. Maar ook in het andere geval, in het geval dat ik iemand ben, die de verdieping juist vindt in de rust en het open staan, in het vertrouwen hebben in de stroom, loop ik dan niet een vergelijkbaar risico? Laat ik dan wellicht mijn cliënten of klanten niet in de steek omdat ze juist wel richting nodig hebben, wellicht zelfs een duwtje nodig hebben? Ik zag onlangs Samarpan, een Amerikaanse spirituele leider, aan het werk, terwijl hij mijn eerder genoemde vriend, die op dat moment echt al flink in nood was, begeleidde. Met al zijn rust en vertrouwen ging hij nauwelijks serieus in op wat mijn vriend inbracht. Hij sprak vooral over vertrouwen hebben in de stroom en als het nu scheef gaat, dat dat juist goed is; het is het begin van verandering enz. “OK, so you are fired and you are broke and your wife has left you, but what is the problem in that? Life provides you with all the experiences you need!” Wellicht prachtig gezegd, vol vertrouwen in de stroom, heel diepgaand, maar voor mijn vriend voelde het op dat moment als verschrikkelijk in de steek gelaten worden. Dus ook hier de vraag: schuilt ook hier niet het risico, dat ik impliciet van mijn cliënten of klanten verlang dat zij volledig vertrouwen in de stroom? In hoeverre is er dan nog sprake van het basisprincipe: “Be who you are!” of “Becoming more aware of who you are!”? Is er ook hier niet het risico dat ik vanuit mijn volledige rust en vertrouwen opnieuw impliciet mijn waarde en wellicht zelfs mijn norm omtrent verdieping opleg aan mijn cliënten en klanten? Ook nu wil ik het antwoord op de vraag aan u laten. Maar u zult hopelijk begrijpen, dat dit wel heel wezenlijke vragen zijn als we spreken over persoonlijke of professionele verdieping. Ik wil graag afronden met een gedicht van Abel Herzberg. Dit gedicht drukt mijns inziens prachtig uit hoe moeilijk het is om zaken als verdieping onder woorden te brengen, maar tegelijkertijd nodigt het ons wel uit om te blijven proberen er wel uitdrukking aan te geven, uitdrukking te geven aan wat ons boeit en inspireert. FragmentVan drie zangen de eerste En van die eerste een fragment Vraag niet, waar het geheel is, Aanvang en end. Want alles is fragment. Al door het zeggen van het woord Deelt men, scheidt men en schendt Het al omvattende, dat men niet kent, Dat ik aanwezig weet of alleen maar vermoed, Dat ik niet uitspreken kan en toch uitspreken moet, Dat mij beheerst en mij te luisteren gebiedt. Maar als ik zoek en luister, dan vind ik het niet. Eén troost blijft: Er is in ieder woord een woord, Dat tot het onuitsprekelijke behoort; Er is in ieder deel een deel Van het ondeelbare geheel Gelijk in elke kus, hoe kort, Het hele leven meegegeven wordt. Ik dank u voor uw aandacht en geduld. Frans Meulmeester Hoeven, 15 september 2007
|